DE ROL EN INVLOED VAN DE NIEUWSFOTO

Informeren, beïnvloeden, manipuleren

De rol en invloed van de nieuwsfoto

Vorig jaar publiceerde de Spaanse professor José Manuel Susperregui het boek ‘Sombras de la fotografía’ (Schaduwen van fotografie). Daarin verdiept hij zich in fotografie als een medium dat in staat is de werkelijkheid te manipuleren. Hij neemt als voorbeeld ‘De vallende soldaat’ van Robert Capa, de beroemde foto uit 1936, gemaakt tijdens de Spaanse Burgeroorlog. Daarop wordt een soldaat getroffen door vijandelijk geweervuur. Hij staat op een heuvel, helt al gevaarlijk achterover, houdt zijn armen gespreid, als om zich in evenwicht te houden, heeft zijn hoofd naar links afgewend en hij laat zijn geweer uit zijn rechterhand vallen. Hij kan ieder moment neerstorten. Die foto werd het symbool van de strijd tegen het fascisme. Een iconisch beeld. Susperregui probeert te bewijzen dat die foto nooit op dat moment op die plaats gemaakt kan zijn. Hij beweert dat Capa de foto in scène heeft gezet. Zijn onderzoek zette me opnieuw aan het denken over het fenomeen nieuwsfoto.

Het International Center for Photography in New York – het ICP – heeft een brede benadering van het fotografie. Het toont foto’s van kunstenaars, maar ook documentaire foto’s en nieuwsfoto’s. Dat gebeurt vanuit een ideologie die, volgens de hoofdconservator van het ICP, antwoord probeert te geven op vragen als: “Who are we? How do we address other people? How do we understand ourselves in society? How can we change society politically? How can we understand through representations how society is constructed and shaped and manipulated?” (1) Het ICP gaat in het discours over fotografie uit van de karaktertrekken van het medium.
Op dit moment brengt het instituut dat uitgangspunt in de praktijk met een dubbeltentoonstelling. ‘The Mexican Suitcase’ laat de inhoud zien van een koffer die in 2007 is gevonden. Daarin zaten meer dan vierduizend negatieven van foto’s die Robert Capa, David Seymour en Gerda Taro maakten tijdens de Spaanse Burgeroorlog. In de parallelle tentoonstelling – ‘Cuba in Revolution’ – geven foto’s van Cubaanse en internationale fotografen een beeld van de Cubaanse Revolutie.

Invloed
Al vanaf 1850 leggen foto’s nieuwsfeiten vast. Moest de lezer van kranten en tijdschriften zich voorheen zelf een beeld vormen met behulp van koppen en zinnen (en soms tekeningen), sindsdien worden deze geïllustreerd met beelden van een professionele ander. Dat was een grote verandering. Voor die lezer, maar ook voor de schrijvende journalist. De impact van het woord moest de strijd aangaan met de impact van het beeld.
Vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw nam de invloed van de fotojournalistiek toe. Dat kwam niet alleen doordat fotografische technieken steeds beter werden, maar vooral omdat er overal op de wereld tijdschriften werden uitgegeven die voor fotoreportages een belangrijke en soms zelfs de belangrijkste plaats inruimden. Life, Look, Picture Post, Paris Match, Züricher Illustrierte en diverse andere bladen zouden faam verwerven om hun fotoreportages. De foto’s in het Amerikaanse Life werden zelfs een soort standaard voor de nieuwsfotografie. Door deze tijdschriften konden fotografen als Robert Capa hun beelden aan de wereld laten zien. Door deze tijdschriften konden ze, bewust of onbewust, invloed uitoefenen op de meningsvorming over rampen, conflicten, brandhaarden en oorlogen. Omdat Capa en zijn maten zich ten doel stelden met hun werk de gevaren van het fascisme in beeld te brengen, onder andere door ook burgerslachtoffers te fotograferen, konden ze het verzet tegen dictators als Franco en Hitler voeden. Zo kon Capa’s ‘Vallende soldaat’ uitgroeien tot een iconische foto. Het ging niet om de schoonheid van het beeld – benen en geweer staan er bijvoorbeeld maar gedeeltelijk op, een esthetische doodzonde – maar om de wijze waarop deze foto de dramatiek van de burgeroorlog wist te vangen en wereldkundig maakte.
Bij de komst van de televisie bestond aanvankelijk de angst dat de nieuwsfoto aan invloed zou inboeten. Dat bleek niet het geval. De bewegende beelden werden onmiskenbaar een geduchte concurrent, iedereen kent bijvoorbeeld de televisiebeelden van de moord op John F. Kennedy en van de mars naar Washington, maar de televisie bleek te zorgen voor een groter bereik en dus een onverminderd grote invloed.
Uit de relatieve begintijd van de nieuwsfotografie, de jaren zestig en zeventig, zijn de foto’s uit Vietnam bekend, zoals ‘Execution in Saigon Street’ (1968) van Eddie Adams en ‘Girl burned by napalm’ (1972) van Nick Ut. Deze foto’s hebben vooral in Amerika de publieke opinie beïnvloed. Veel voorstanders van de Vietnam oorlog keerden op hun schreden terug en voegden zich bij de demonstranten. De beelden groeiden uit tot symbolen van de zinloosheid en eindeloosheid van de Amerikaanse inmenging.
Van recentere datum zijn de gruwelijke foto’s uit de Abu Ghraib gevangenis. Deze bevestigden bij de tegenstanders van de oorlog in Irak het vermoeden dat het Amerikaanse leger zich schuldig maakte aan allerlei wreedheden en op die manier zijn eigen legitimatie om aan die oorlog te beginnen ondermijnde. George W. Bush kwam nog meer onder vuur te liggen en de Democraten zagen hun aanhang groeien.
Dat deze foto’s zoveel invloed hadden, heeft zeker ook te maken met het moment en de manier waarop ze werden gepresenteerd. De foto’s uit Vietnam heb ik later vaak teruggezien in tijdschriften, boeken en musea. Het bleven vreselijke beelden, maar de emoties die ik er eens bij voelde zijn nu goeddeels weggeëbd.

Manipulatie
De grenslijn tussen invloed en manipulatie is dun. Iedere foto die gemaakt wordt, is per definitie het gevolg van een moment en een keuze. Omdat een foto een uitsnede van de werkelijkheid geeft en de context weglaat, is het altijd twijfelachtig in hoeverre het beeld representatief is voor de werkelijkheid. Een recent voorbeeld bewijst dat eens temeer. Vorig jaar werden er presidentsverkiezingen gehouden in Iran. Toen de uitslag bekend werd en de zittende president opnieuw winnaar bleek te zijn, gingen duizenden de straat op om te protesteren tegen de manipulatie van de uitslag. Hét beeld van die demonstratie werd een foto van een studente die dodelijk was getroffen. Een lege blik in haar ogen, bloed uit haar neus, mond en ogen. De foto was afkomstig van een filmpje gemaakt met een mobiele telefoon en ging vrijwel onmiddellijk via You Tube en Facebook de wereld over. Het is een schokkend beeld, dat de woede van velen voedde. Op het moment dat de foto werd genomen was echter onduidelijk of het meisje deelnam aan de demonstratie, wie de schutter was en of ze één van de vele slachtoffers was. De context ontbrak. Toen later de feiten bekend werden – geen demonstrerende studente, een militair als vermoedelijke dader, waarschijnlijk het enige dodelijke slachtoffer – kon de impact van het beeld niet meer worden bijgesteld.
Nu is er bij dit voorbeeld sprake van onbewuste manipulatie, maar er zijn voorbeelden te over waar de fotograaf bewust heeft ingegrepen in de realiteit. In 2003 maakte Brian Walski van de Los Angeles Times een serie foto’s in Irak. Vermoedelijk uit esthetische overwegingen combineerde hij twee foto’s, maar zag over het hoofd dat op het uiteindelijke resultaat, als gevolg van zijn ingreep, een paar Irakezen dubbel stond afgebeeld. Hij werd door zijn krant op staande voet ontslagen wegens onverantwoord gedrag. De krant handelde geheel in lijn met de opvattingen van de vader van de fotojournalistiek, Henri Cartier-Bresson: “We pass judgement on what we see, and this involves an enormous responsibility.”
Twee andere beruchte gevallen zaaien ofwel twijfel over de integriteit van de maker of tonen aan hoe een naïeve fotograaf zich kan laten verleiden door ‘het mooie plaatje’. Spencer Platt maakte in 2006 de beste nieuwsfoto van het jaar volgens World Press Photo: tegen de achtergrond van een door een Israëlische aanval verwoest deel van Beiroet rijden vier jonge Libanezen in een open auto. Ze zijn gekleed alsof ze net terugkeren van een feestje, alsof dat de Libanese manier is om te reageren op dergelijke vernietigende oorlogshandelingen. De jury die de prijs had gegeven werd alom gehekeld. Een collega van Platt, Luis Sinco, maakte in 2007 een portret van een Amerikaanse militair in Irak. Helm op, gezicht onder het stof en de modder, onverschillige blik, sigaret in de mond. Het beeld ging de wereld in als de ‘Marlboro Marine’. Het werd onmiddellijk geduid als een typerend voorbeeld van de ‘bad ass American Marine’. Het werd bewijsmateriaal in handen van tegenstanders van de Amerikaanse inval in Irak.

Van een andere vorm van manipulatie is sprake als een fotojournalist voorbij gaat aan culturele verschillen. In culturen reageren mensen bijvoorbeeld heel heftig, met veel gebaren en luide uithalen, op de dood. Een fotograaf die dergelijke gebeurtenissen vastlegt moet weten dat zijn foto’s in ogenschijnlijk nuchtere culturen als bijvoorbeeld de Nederlandse een heel andere impact hebben en dus het gezicht van de werkelijkheid verminken. In dezelfde manipulatieve categorie kun je de foto’s plaatsen die worden gebruikt om grote mensenmassa’s over te halen geld te storten bij een natuurramp. Donkere, hongerige kindjes met vliegjes om de ogen leveren, cynisch gezegd, veel geld op.

De tentoonstelling ‘Cuba in Revolution’ in het ICP laat subtiel zien hoe politieke bewegingen foto’s inzetten om hun politieke doelen een steuntje in de rug te geven. Enerzijds zijn er de beelden die de vermaledijde decadentie van het Batista regiem illustreren, zoals de foto van een dikke, halfnaakte man met een sombrero op zijn hoofd, in iedere hand een fles drank en een sigaar in zijn mond. Anderzijds toont ‘Cuba in Revolution’ beelden van dappere guerrillastrijders, tot de tanden toe gewapend, triomferend op een tank. Of twee strijders in uniform die, om de Amerikanen te jennen, met hun rug naar het Lincoln Memorial Monument in Washington staan. Prachtig is ook de relaxende Che Guevara, op een hotelbed, met ontbloot bovenlijf, lurkend aan een drankje: de revolutie is zo slecht nog niet…

De kans dat bewuste manipulatie en manipulatie door slordigheid toenemen is reëel aanwezig. Door de moderne technieken is een fotojournalist niet alleen de maker, maar ook de beeldredacteur en distributeur van zijn eigen foto’s. Een corrigerende tussenpersoon ontbreekt. Diezelfde technische vooruitgang maakt dat krantenredacties verwachten dat hun mensen hun materiaal snel aanleveren. Nieuws heeft een steeds kortere houdbaarheidsdatum. De tijdsdruk zet de zorgvuldigheid onder druk. Omdat het slecht gaat met de gedrukte media komt daar nog een factor bij. Omdat fotopersbureaus als Getty Images of Corbis (van Bill Gates) een goedkoop alternatief zijn voor een minimaal €250,- per dag kostende freelance fotograaf, is de keuze snel gemaakt. Dat betekent dat de concurrentie binnen de beroepsgroep ontzettend groot is geworden. Scoren is haast noodzaak geworden. Dat de kans dat daarbij ethische regels worden overtreden groot is, mag duidelijk zijn.

Kunstfoto versus nieuwsfoto
Vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw heeft fotografie definitief een plaats verworven binnen de beeldende kunst. De kunstkritiek doet sindsdien een poging die fotowerken binnen de context van de kunstgeschiedenis te plaatsen, ze te beoordelen op formele en esthetische gronden, ze te testen op originaliteit en ze zonodig ook te wegen op grond van de technische kwaliteiten. De foto als kunstwerk. Dit nummer van Kunstbeeld staat er vol van.
Nieuwsfoto’s hebben de potentie om de opvattingen en, in het verlengde daarvan, soms zelfs het handelen van mensen te beïnvloeden. Foto’s van een kunstenaar missen die kracht veelal. Daar zijn verschillende redenen voor. Generaliserend gezegd heeft een nieuwsfotograaf een ander uitgangspunt dan een kunstenaar. De eerste wil op een overtuigende manier nieuws visualiseren voor een grote groep mensen. Hij wil, in samenspraak met een tekst, informatie over actuele gebeurtenissen overbrengen. Zijn eerste zorg is niet of het plaatje mooi is, maar of het de realiteit weergeeft, of het recht doet aan een bepaalde gebeurtenis op een bepaald moment, op een bepaalde locatie. Een kunstenaar wil meestal de werkelijkheid transformeren. Hij wil een oorspronkelijke interpretatie geven, door iets toe te voegen, de werkelijkheid in een bepaalde vorm te gieten of er zijn eigen emoties in te leggen. Hij poogt de realiteit van de nieuwsfotograaf te ontstijgen. Door te fictionaliseren weet hij wel emoties los te maken bij de kijker, de kijker aan het denken te zetten, de kijker nieuwsgierig te maken of op het verkeerde been te zetten, maar de kans dat hij de kijker tot actie aanzet is klein.
In dit verband is het wellicht verhelderend in herinnering te roepen hoeveel mensen uit de kunstwereld en de literaire wereld reageerden op de beelden van de aanval op de Twin Towers in New York, nu negen jaar geleden. De visuele impact van die verschrikkelijke werkelijkheid – het vliegtuig dat zich in de toren boorde, de vallende man met aktetas in zijn hand – zou ieder kunstwerk of iedere roman over dit onderwerp bij voorbaat alle wapens uit handen slaan. De werkelijkheid had de kunst verslagen. Een conclusie gevoed door tijdgebonden emoties, zeker, maar niet helemaal bezijden de waarheid, zoals later is gebleken.
Dat een kunstwerk minder effect heeft, komt ook door de context waarbinnen de kunst zich aan het publiek toont. Het verwachtingspatroon van een krantenlezer wijkt af van dat van een bezoeker aan een galerie of museum. Is een nieuwsfoto aan de wand in een musea sowieso al een contradictie, de kijker zal geneigd zijn om ernaar te kijken zoals hij naar een schilderij of een sculptuur kijkt: niet gericht op informatie. Voeg daar nog aan toe dat kunstkijkers een kleinere, want elitaire, groep zijn dan krantenlezers en het verschil in impact laat zich des te beter verklaren.
Natuurlijk zijn er uitzonderingen. Ik kan me voorstellen dat Andres Serrano’s foto’s van lijken in het mortuarium of van leden van de Ku Klux Klan meer invloed hebben dan een nieuwsfoto van een opgebaarde hoogwaardigheidsbekleder of een willekeurige krantenfoto van rassenrellen in een buitenwijk van Los Angeles. Ik weet dat bepaalde foto’s van bijvoorbeeld Nan Goldin, door de zichtbare en voelbare betrokkenheid van de kunstenaar, me meer emotioneren dan menig beeld van een nieuwsjager, zelfs al hangen haar foto’s in het Stedelijk Museum of het Whitney Museum. Maar dat zijn dan ook voorbeelden waarbij de werkelijkheid en de kunst elkaar raken, waarbij ze in elkaars vaarwater zitten.

De toekomst van de nieuwsfoto
De afgelopen jaren zijn er diverse conferenties georganiseerd en vele artikelen geschreven over ‘de dood van de fotojournalistiek’. Mijn Pavlovreactie is: het zal wel meevallen. Toen de foto kwam, zou dat namelijk de ondergang betekenen van het schilderij. De roman is al tien keer dood verklaard. Wie bij de komst van de auto nog geloofde in de trein werd voor gek verklaard en de televisie zou de doodsklap voor Hollywood zijn. Dit bleken uiteindelijk allemaal noodkreten die de weg vrij maakten naar oplossingen.
Dat wil niet zeggen dat de veranderingen van de laatste jaren de nieuwsfoto onberoerd laten. Door de voortschrijdende techniek zijn er opeens vele miljoenen nieuwsfotografen bij gekomen. Iedereen met een mobiele telefoon, in welke variant dan ook, is in staat om bepaalde gebeurtenissen vast te leggen en snel over de wereld te verspreiden. De foto van het Iranese meisje, waar ik het eerder over had, is daarvan een goed voorbeeld. Feit is ook, dat de gedrukte media het moeilijk hebben. Als kranten en tijdschriften al niet worden opgeheven, dan worden ze in ieder geval gedwongen personeel te ontslaan. Daar komt nog bij dat onderzoeken uitwijzen dat de belangstelling van de lezer en de kijker aan het veranderen is. Waarschijnlijk door een overkill aan slecht en schokkend nieuws, met name uit oorlogsgebieden en natuurrampgevoelige landen, heeft de lezer steeds meer behoefte aan non-nieuws, zoals foto’s van beroemdheden of koningshuiskiekjes. Daar valt voor de fotojournalistiek weinig eer aan te behalen. En, als er dan al behoefte is aan nieuws, dan hecht de lezer (of kijker) steeds minder waarde aan kwaliteit. De gemiddelde fotojournalist vindt het nog van belang dat hij een goed beeld aflevert, niet alleen een informatief beeld. De gemiddelde intensieve computer- en smartphonegebruiker is zo gewend aan matige YouTube-filmpjes en klunzige amateurfoto’s, dat hij niet meer maalt om fraaie lichtvallen en uitgebalanceerde composities. Het gaat hem om de anekdote, de sensatie en andere inhoudgerelateerde aspecten. Zoals de fanatieke Twitteraar of e-mailer niet meer geïnteresseerd is in een foutloze, laat staan goed geformuleerde zin.
Is fotojournalistiek dan toch een ‘dying field’ zoals The New York Times het beroep onlangs plastisch omschreef? (2) Dat lijkt me niet. De komst van internet kun je ook zien als een gigantische uitbreiding van de beeldmogelijkheden. Het probleem daarbij is nog wel, en het is bewezen hardnekkig, dat het nog niet mogelijk is dat potentieel te gelde te maken. Daarvoor zijn internationale afspraken nodig. Fotografen zijn over het algemeen veel beter georganiseerd dan kunstenaars, dus het lijkt me onwaarschijnlijk dat daar niet op termijn een oplossing voor komt. Een ander antwoord zou kunnen zijn, dat kranten en tijdschriften – die zitten immers met hetzelfde probleem – weer terugkeren naar grote fotoreportages zoals die eens in bijvoorbeeld Life en Paris Match verschenen: beeldverslagen waarbij de tekst haast als illustratie dient. Het is namelijk niet zo, dat de behoefte aan beelden is afgenomen, de behoefte aan de traditionele dragers ervan loopt hollend achteruit. De beeldcultuur heeft zich alleen maar uitgebreid in de laatste decennia.

Tenslotte
In mijn ochtendkrant stond een grote foto van Geert Wilders op de voorpagina. Achter hem zie ik zijn geprojecteerde beeltenis. De tekst vertelde me dat de foto was genomen tijdens zijn protesttoespraak, een paar straten verwijderd van het beladen Ground Zero. Dat was niet te zien. Dat hij een publiek van ‘naar schatting tweeduizend’ aanhangers trok (3), was evenmin te zien. Een nieuwsfoto zonder context is een potentiële misleider. Was dat de reden waarom in The New York Times beeld én tekst over Wilders schitterden door afwezigheid?

‘The Mexican Suitcase’ en ‘Cuba in Revolution’, 24 sept. 2010 t/m 9 jan. 2011, International Center of Photography, New York (VS), www.icp.org

1. Brian Wallis in Afterimage, 11 juni 2003
2. The New York Times, 9 augustus 2009
3. De Volkskrant, 13 september 2010

KB, November 2010.