Wangechi Mutu

IK BEN EEN AFRIKAANSE VROUW. DIE ERFENIS DRAAG IK MET ME MEE

“Ik ben er helemaal niet op tegen dat mijn werk wordt opgenomen in een feministische tentoonstelling. Jullie steken wat dat betreft je hoofd in het zand. You are in denial. Jullie denken dat het niet meer nodig is, dat de rechten van de vrouw inmiddels zijn geregeld. Omdat dat bij jullie misschien het geval is. Ik kom uit een land waar dat nog lang niet zo is. In Kenia bezitten de mannen alle rechten. De vrouwen bevinden zich in een ondergeschikte positie. Datzelfde ontkenningsgedrag hebben jullie als het over de rassenproblematiek gaat. Ook daarbij houden jullie de ogen gesloten voor de realiteit. Die zaken liggen veel gevoeliger dan jullie vaak denken.”

Het is de enige keer dat er lichte irritatie doorklinkt in de stem van Wangechi Mutu. Ik had haar gevraagd of ze het niet vervelend vond dat haar werk in het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem binnen een feministische context wordt gepresenteerd. Het is de enige keer dat ons gesprek verandert van een uiterst aangename en interessante uitwisseling van gedachten in een enigszins formeel interview waarbij ik de vragen stel en zij zich geroepen voelt antwoord te geven.

Mijn ontmoeting met Wangechi Mutu ging bijna niet door. Een paar weken eerder was haar dochtertje geboren en “dat vroeg alle tijd en aandacht”. Het geven van een interview zou in dergelijke omstandigheden wat problematisch worden. Pas toen ik haar verzekerde dat ik er geen enkel bezwaar tegen had dat ze haar aandacht zou verdelen tussen haar dochtertje en mij, vond ze het goed dat ik kwam. Als het kind tijdens ons lange gesprek wéér om haar borst bedelt en opnieuw een schone luier moet hebben, kan Wangechi het niet laten om me te pesten met mijn getoonde begrip. “Je hebt er zelf om gevraagd. Jij zei dat je het niet erg vond. Ik heb je gewaarschuwd.” Ze lacht er aanstekelijk bij.

Wangechi Mutu woont in Bedford Stuyvesant, een wijk in Brooklyn. Als ik in New York ben is dat ook mijn thuishaven. Het is traditioneel een buurt waar vrijwel uitsluitend zwarte Amerikanen wonen. Er is veel werkloosheid en veel verborgen armoede. ’s Zomers speelt het leven zich grotendeels op straat af. Veel vertier is er niet. Een paar kinderspeelplaatsen. Restaurants, koffieshops en winkels zijn verworvenheden van ‘de stad’. Iedere hoek van de straat heeft wel zijn grocery store. Zo’n kruidenierswinkeltje waar je alles en niks kunt krijgen. De kerk speelt een grote rol. Er zijn tientallen kerken en kerkjes, vaak van voor ons onduidelijke origine. Afsplitsingen van afsplitsingen. Soms bepaalt een dominee in zijn eentje een geloofsrichting. De laatste jaren verandert de wijk. De huizen in Manhattan zijn zo duur geworden, dat steeds meer blanken hun toevlucht zoeken tot wijken als Bed Stuy. Ze brengen de stadse geneugten met zich mee. Er zijn nu een internetcafé, een heus hotel met vier kamers en een paar echte restaurants die meer dan kippenboutjes serveren. Een paar jaar geleden heeft de eerste boekwinkel zijn deuren geopend. Het aanbod beperkt zich overigens tot boeken van zwarte schrijvers.
Wangechi Mutu voelt zich thuis in deze wijk. Ze woont in een Brownstone. Een ruim honderd jaar oude patriciërswoning opgetrokken uit bruinrode zandsteen. Een stenen trap voor de deur. Typerend voor de buurt. Ze bewoont het souterrain en de bovenste verdiepingen. De opgetilde begane grond fungeert als atelier. Het is een grote, uitgebroken ruimte waarvan alle wanden bedekt zijn met werken, werken in wording, knipsels, prentbriefkaarten en andere beeldbronnen. Kasten en tafel gaan schuil onder vergelijkbaar materiaal. Potjes, scharen, penselen en kwasten zorgen voor de completering van de stillevens. In een zijkamertje staan rollen papier en plastic. Op een klein tafeltje aan het begin prijken twee computers. Geeltjes en andere aantekeningen liggen er omheen. Achter me twee kasten vol kunstboeken. Voor me een kast waarin Wangechi haar catalogi en andere publicaties over haar werk bewaart. In deze ruimte wordt gewerkt, dat is duidelijk. Een inspirerende omgeving waarin de assistente van de kunstenaar af en toe wat verloren rondloopt. Ik heb kennelijk haar werkplek in beslag genomen.

Wangechi Mutu is geboren in Nairobi, Kenia. Ze komt uit een, qua normen en waarden, traditioneel gezin waarin de vader de toon zet en de regels bepaalt. De lagere school volgt ze in haar geboortestad. Daarna krijgt ze de kans om naar een internationale school in Wales te gaan. Niet omdat ze thuis veel geld hebben, ze komt uit een middenklasse gezin met twee werkende ouders, maar omdat ze daarvoor op grond van haar prestaties wordt uitverkozen. “Ik was daardoor al vroeg omringd door kinderen uit allerlei landen en van allerlei rassen. Ik heb daar nooit moeite mee gehad.“ Die school is geen reguliere middelbare school. Er is veel aandacht voor maatschappelijke zaken en er wordt veel tijd ingeruimd voor creatieve vakken. Dankzij een Nederlandse docent, “ik ben gek genoeg zijn naam vergeten”, ontdekt Wangechi Mutu wat ze wil worden. “Die man was zo enthousiast en zo gedreven. Hij had oog voor het talent dat kennelijk in me zat. Hij liet me voor het eerst kennismaken met kunst. Ik wist daar op dat moment niets van.”

Na die opleiding gaat Wangechi nog een paar jaar terug naar haar vaderland. Ze heeft er allerlei baantjes. Onder andere loopt ze stage in een fort op Lamu Island, in het noordoosten van het land. Dat zou door twee Zweden moeten worden omgebouwd tot een museum. Die eeuwenoude locatie heeft tot 1873 nog een grote rol gespeeld bij de slavenhandel. “Eigenlijk was het zonde om een dergelijk gebouw met een dergelijke geschiedenis te veranderen in een kunstmuseum.”

Ze komt er al snel achter dat kunstenaar worden in Kenia vrijwel onmogelijk is. Het betekent in feite dat je gedwongen bent allerlei voorwerpen te maken voor de toeristen. Ze heeft op zich niets tegen arts & crafts, maar ze ziet zichzelf niet gelukkig worden bij een dergelijk vooruitzicht. Tegen de zin van haar vader in – “hij vond het niet nodig dat mijn zusje en ik gingen studeren”- besluit ze uit te kijken naar een goede kunstacademie in het buitenland. Ze komt uiteindelijk bij de Verenigde Staten uit, omdat dat land de ruimste mogelijkheden biedt als het over beurzen voor buitenlanders gaat. “Op zich een geweldige kans natuurlijk, maar ik kwam wel opeens van de middenklasse in de arbeidersklasse terecht. Ik was een arme kunstenaar. Bovendien maakte ik van de ene dag op de andere deel uit van een minderheid. Dat was ik evenmin gewend. Ik realiseerde me opeens dat ik een land was binnen gedrongen waar ik niet thuishoorde, dat niet van mij was.“

In 1993 verhuist ze naar New York. Het eerste deel van haar opleiding volgt ze aan Cooper Union for the Advancement of the Arts and Science in die stad. Daarna gaat ze naar Yale University School of Art in New Haven.
Al in 1997 is ze één van de deelnemers aan de tweede Biënnale van Johannesburg. Een veelbelovend begin van een loopbaan die uiterst succesvol zou worden. De laatste vier jaar bijvoorbeeld heeft ze solotentoonstellingen in het Miami Art Museum (2005), het San Francisco Museum of Modern Art (2005), de Kunsthalle Wien (2008) en het Museum of Contemporary Art San Diego (2009).

In het begin van haar loopbaan maakt ze vooral tekeningetjes. Figuratieve afbeeldingen van vrouwen, uitgevoerd in eenvoudige, zwarte omtreklijnen, altijd met een enigszins macabere toets. Figuren komen op onmogelijke plaatsen uit andere figuren, het bloed vloeit rijkelijk, bepaalde delen van de lichamen zijn ‘afgehakt’ of uitvergroot. Vaak schrijft ze er tekstjes bij. Die geven inzicht in haar motieven. “Ik heb het recht om te schreeuwen. Ik heb het recht zelfs als ik niet weet wat voor recht.” En :“Ik heb zo hard geprobeerd om villijn te zijn.” Soms stelt ze daarin de vragen die zich ook aan de kijker opdringen, bijvoorbeeld: “Waarom teken je nooit mannen?”

Al snel stapt ze over op collages en, de laatste jaren steeds meer, op ruimtelijke installaties. Collages waren vooral populair bij veel Dada kunstenaars in de jaren twintig van de vorige eeuw (bijvoorbeeld Hannah Höch, Kurt Schwitters, Théodore Fraenkel en John Heartfield) en ook bij de bekende zwarte Amerikaanse kunstenaar Romare Bearden in de jaren vijftig en zestig. Als ik haar vraag of ze door deze mensen is beïnvloed begint ze te lachen. “Natuurlijk ken ik al die namen die je noemt en natuurlijk heb ik bewondering voor die mensen, maar dat ik met collages ben gaan werken heeft vooral een heel praktische reden. Collages, zeker de kleintjes die ik in begin maakte, kun je overal en altijd maken. Je hebt er weinig ruimte voor nodig. Je kunt het tussendoor doen. Dat was belangrijk, want ik had niet altijd de ruimte die ik nu heb. Ik leidde een nogal nomadisch bestaan. Bovendien, ik kan eerlijk gezegd helemaal niet zo goed tekenen en schilderen.”

Haar eerste collages zijn op papier. Ze haalt het materiaal uit advertenties in modebladen, uit pornografietijdschriften en allerlei ander gedrukt materiaal waarin vrouwen staan afgebeeld die voldoen aan de verwachtingspatronen van mannen, vooral blanke mannen. Het worden pin ups die ver van haar eigen opvattingen verwijderd zijn, maar die pijnlijk precies beantwoorden aan het gangbare beeld. Ze vult de fotofragmenten met waterverf aan tot volledige vrouwen die er, ook al zijn ze samengesteld uit verknipte en verminkte foto’s, toch lekker en geil uitzien. “Je moet de collage ook in die context zien. Het beeld dat mannen van de vrouw hebben, met name de Afrikaanse vrouw, is een constructie. Daar sluit het medium collage mooi op aan. Trouwens, je mag de collages niet zien als kritiek op de massamedia die mij het materiaal leveren. Op kranten, tijdschriften en al die andere beeldleveranciers. Daar ben ik niet echt mee bezig.”

Op een gegeven moment ontdekt ze mylar. Dat is synthetisch materiaal, een soort buigzaam plastic. Het is wit van kleur maar schijnt een beetje door. Het heeft als eigenschap, dat het de verf langzaam en moeizaam laat intrekken. Dat betekent dat die verf even vrij spel heeft en zijn eigen weg kan gaan. Die eigenschap fascineert Wangechi Mutu met name. Daarmee kan ze het toeval in haar werk brengen. Dan veranderen haar vrouwen van pin ups in sterke vrouwen, in strijders, in types als Josephine Baker en Grace Jones. Vrouwen die mannen bang maken. Die de strijd aangaan met macho mannen. Vrouwen die personificaties zijn van alles wat (zwarte) vrouwen aangaat en waar (zwarte) vrouwen tegenaan lopen: seksualiteit, plezier, maar ook hebzucht, kolonialisme en racisme. Op scherpe hoge hakken, met klauwen als voeten, met dodelijke wapens in hun handen, met de uiterlijke kenmerken van een vogelverschrikker, met snelle motoren onder hun voeten. Op het eerste gezicht feestelijk uitgedost, maar die uitdossing bestaat uit allerlei agressieve details die de benaming feestelijk nauwelijks verdienen. Dat intimiderende effect wordt soms versterkt door de afmeting van de werken. Wangechi Mutu durft nu ook wat het formaat betreft flink uit te pakken. De vrouwen overdonderen letterlijk.

Omdat ze mylar gebruikt, kan ze de bestaande beeldfragmenten aanvullen met enigszins uitgelopen, dotten waterverf, die met scherpe randjes zijn opgedroogd. Soms nauwelijks te onderscheiden van de borsten en de eikels waarmee ze omgeven worden. Ze vermengen zich niet. Ze nemen hun eigen ruimte. Ze laten zich een beetje sturen, maar gaan ook hun eigen gang. Ze sluiten zo op een verrassende manier aan op de inhoud. Meestal hebben de afgebeelde vrouwen geen uitgesproken omgeving. De ruimte eromheen is wit gelaten of licht ingekleurd. Hier en daar bewegen er zich kleine beeldelementen in. Als sterren of als vuiltjes in de lucht. Door de ruimte om de vrouwen geen identiteit te geven, maakt Wangechi de vrouwen – en daarmee de problematiek – universeel, al zijn het onmiskenbaar vrouwen met een donkere huidskleur. “Natuurlijk. Dat kan moeilijk anders. Ik ben een Afrikaanse vrouw. Die erfenis draag ik met me mee.”

De laatste jaren maakt Wangechi ook ruimtelijke installaties. Als ik daarnaar vraag reageert ze aanvankelijk alsof ze zelf ook niet precies weet hoe die haar werk zijn binnen geglipt. Alsof ze een eigen leven leiden. Alsof de kunstenaar ze nog niet helemaal onder controle heeft. Even later geeft ze alsnog een mogelijke verklaring. “Ik houd er niet van om dingen te maken die mensen van me verwachten. Hoe bekender je wordt, hoe meer dat probleem speelt. Ik heb ook geen zin om rekening te houden met de markt. Als je dat doet ga je kopje onder. Ik wil gewoon de dingen maken die me na staan en die me bezighouden.”

Dat laatste speelt bijvoorbeeld een grote rol bij de installatie die ze in november 2008 in New Orleans maakt, in het kader van de biënnale ‘Prospect1’. Ze kiest voor de 9th Ward als locatie. Dat is de wijk die door de orkaan Katrina het zwaarst is getroffen, waar de meeste slachtoffers zijn gevallen, waar de arme zwarte bevolking woont. Daar zet ze een zwart geverfde, houten constructie van een huis neer. In het midden van dat open huis plaatst ze een eenvoudige, eveneens zwarte schommelstoel. Verder niets. Een niet mis te verstaan statement. Ze vertelt me ter plaatse – het is de eerste keer dat ik haar ontmoet – het verhaal achter het werk. De installatie is bedoeld als een eerbetoon aan de vrouw die 35 jaar op die plek heeft gewoond. “Ze was een belangrijk figuur in de buurt. Ze had de ramp overleefd en zelfs haar huis stond er nog min of meer. Het moest wel opgeknapt worden. Door ambtenarij en pesterij van de verzekeringsmaatschappijen was ze uiteindelijk toch gedwongen de stad te verlaten. Ze had zelf het geld niet om haar huis weer bewoonbaar te maken.” ’s Avonds is het huis verlicht. Om het nog meer tot een eerbetoon te maken en om het letterlijk een lichtend voorbeeld te laten zijn.

Woede is ook de ondertoon van de installaties waarbij ze de muren van een museumzaal transformeert in een soort menselijke huiden waar kogels bloedige gaten in hebben geslagen. Ze hangt vanaf het plafond flessen wijn neer. Omgekeerd. De rode vloeistof druppelt op de vloer en de verschaalde lucht neemt langzamerhand bezit van de ruimte. Een dergelijke installatie maakt ze in de staat Texas waar ze geconfronteerd wordt met gewelddadige grensconflicten en met allerlei grove vormen van milieuvervuiling.

Tijdens ons hele gesprek houd ik een gevoel van verbazing, verwarring soms. Wangechi’s verhalen laten aan duidelijkheid weinig te wensen over. Ze zijn soms pijnlijk, ze zijn altijd vervuld van grote betrokkenheid en engagement, maar ze worden op een gelijkmatige, geduldige, vriendelijke, haast relativerende manier verteld door een vrouw die ogenschijnlijk volledig in balans is met zichzelf, die intens geniet van haar jonge moederschap en die zich oprecht verwondert over het groeiende succes dat ze met haar werk heeft.
Wijzend op haar kind: “Ze was niet gepland, maar ik ben er erg blij mee. Ik heb net de voorbereidingen voor een aantal belangrijke tentoonstellingen afgerond. Ik kan nu tijd aan mijn dochtertje besteden. Ze kwam op het goede moment.”

De assistente van Wangechi Mutu handelt nog een aantal zakelijke dingen met me af. Zelf heeft ze al afscheid genomen.
“Zij moet nu echt naar bed. Het is mooi geweest.”
Buiten wil het nog steeds niet warm worden. De sneeuw blijft hardnekkig het straatbeeld bepalen.

Brooklyn, februari 2009.
ZAM Magazine 2009